
Hoofdstuk 1: "Europese Installatie Bus" - afgekort EIB, en vanaf 2004 KNX.
1. Topologie en planningsrichtlijnen
Vanwege de technische eigenschappen en de daaruit ontstane topologie van een EIB installatie ontstaan de volgende maximale en minimale planning en installatievoorschriften.
Volgens de EIBA richtlijnen mogen er 64 busdeelnemers op een lijn worden aangesloten, maar er moet bij het ontwerp van een installatie altijd een reserve worden gerekend voor latere uitbreidingen.
Ook speelt de voeding bij het maximale aantal busdeelnemers een grote rol, want bij toepassing van de grote voedingseenheid met 640 mA kan iedere busdeelnemer 10 mA verbruiken.
Helaas gaat dit niet voor iedere busdeelnemer op want een busdeelnemer met veel LED’s of display’s of met een (micro-)motor gebruiken al snel meer dan die 10 mA.
Hierdoor wordt het aantal busdeelnemers per lijn beperkt.
2. Programmering
Fysiek adres:
De uitgifte van het fysiek adres vind zijn oorsprong in de topologie van het EIB systeem en geeft de plaats aan binnen de topologie.
Een deelnemer die zich bijvoorbeeld in de 3e lijn van bereik 5 bevindt krijgt automatisch (controle door de ETS software) het fysieke adres 5.3.
xxx (xxx = 0 tot 255).
Het hoogste fysieke adres is derhalve 15.15.255.
De programmeur van de installatie heeft bij het uitgeven van de fysieke adressen een grote mate van vrijheid.
Hierbij kan hij volgens een eigen plan werken waarbij hij bijvoorbeeld de deelnemeradressen van 1 tot 100 aan actoren verbindt en 101 tot 255 voor de sensoren gebruikt.
Het deelnemers adres 0 is gereserveerd voor de lijnkoppelaar.
Apparaten met een centrale functie (bv.windsensoren), als ook deelnemers die cyclisch moeten kunnen zenden (bv. temperatuurmetingen) moeten in de bovenliggende hoofdlijn worden ingepland.
Dit om een structureel en veilig opgebouwd telegramverkeer te verzekeren.
Algemeen kan men zeggen dat de parametrering van de apparaten zorgvuldig gedaan dient te worden, omdat de meeste fouten ontstaan door foutief ingestelde parameters.
EL3 kan op verzoek bij de aflevering van bestelde busdeelnemers deze reeds van een fysiek adres voorzien.
Hierdoor wordt een belangrijk deel van de programmeertijd ingeperkt.
Basis voor een dergelijke aanpak is de aanwezigheid van gedetailleerde installatieschema’s en inbouwtekeningen van de EIB-installatie.
Groepsadressen:
De groepsadressen kunnen door de programmeur ook nagenoeg vrij worden verdeeld.
Er kan gewerkt worden in een structuur van 2 lagen of van 3 lagen.
Voor een groot project gaat de voorkeur uit naar de 3 lagen structuur omdat deze in de ETS software een meer gedetailleerde omschrijving van zijn functie mogelijk maakt.
De volgende structuurindeling is mogelijk:
· 2-laags opbouw:
o hoofd - ; ondergroep van 0/0 tot 15/2047
· 3-laags opbouw:
o hoofd - ; midden - ; ondergroep van 0/0/0 tot 15/7/255
Ook hier kunnen weer een aantal bepaalde groepsadressen vooraf worden ingedeeld bijvoorbeeld voor gebruik in een bepaalde ruimte of juist voor een bepaalde (centrale) functie.
Men dient erop te letten dat bij gebruik van de hoofdgroepen 14 en 15, deze groepsadressen door de lijn/bereik-koppelaars niet worden gefilterd en de dynamiek (telegramverkeer) van het volledige bussysteem beïnvloed.
In de software van de lijnkoppelaar is deze parameter echter ook te veranderen.
3. Installatie
Kabelaanleg:
Voor de busleidingen gelden de installatie voorschriften van de 230/400V-installaties zoals beschreven in de NEN1010 met een paar bijzonderheden:
Buskabels in installatiedozen:
SELV vereist dubbele of versterkte isolatie (veilige scheiding) tussen sterkstroom en buskabels;
dat wil zeggen de busaders mogen zonder mantel niet met de sterkstroombedrading in contact kunnen komen.
Aftakkingen zijn toegestaan:
Beeldbron: EIBA